| Aardbeving
in de Vogelenzang en omstreken (L;
bl 11,259). Op den 24sten Mei, des morgens eenige minuten over half
elf, gevoelde men in de Vogelenzang en omstreken eene vrij hevige
aardschudding, uit drie schokken bestaande, gepaard met een
donderend geraas. De lucht was betrokken, de wind W. Z. W., de
thermometer teekende 56° en in den barometer was geene verandering
te bespeuren. Het vee in de weide bleef rustig voortgrazen. Kort
daarna is het weder eenigzins opgehel-derd, de wind stak op, doch
bleef uit dezelfde streek doorwaayen.
Des morgens van den
25sten, omstreeks half vier, is door sommige lieden wederom eene
schudding waargenomen.
In het jaar 1850,
gevoelden de bewoners dezer streken, op den 9den en 11den Sept. en
den l9den en 22sten Dec. dergelijke schuddingen , waarby nagenoeg
dezelfde omstandigheden plaats grepen.
In de navorscher van
1851 werd vandeze aardschuddingen, welke ook in Hillegom,Bennebroek,
de glip, Heemstede, Haarlem enz. gevoeld waren, melding gemaakt en
bet gevoelen der geleerden daaromtrent ingeroepen, hetgeen, zoo ver
ik weet, zonder gunstigen uitslag is gebleven (*).
Het gebeurde zou
welligt in vergetelheid zijn geraakt, indien hetzelfde geval dezer
dagen niet wederom had plaats gegrepen. Steller dezes acht het wel
der moeite waardig, thans hier op terug te komen en den wensch te
uiten, dat deskundigen hierover hun gevoelen mogen mededeelen;
terwijl de navorscher hem tot dat einde allezins geschikt
toeschijnt.
Zonder echter mijn
oordeel hieromtrent voor geldend te willen doen doorgaan, ben ik
echter zoo vrij de volgende opmerkingen te maken.
|
|
1e
Alle de waargenomen schuddingen hebben plaats gehad 1 a 2 uren
vóór hoog water en, voor zoo ver de gewaarwordingen anderen en mij
niet bedrogen hebben, in de rigting van het W. N. W. naar het O. Z.
O.
2°. By geene heeft
men die voorteekenen in de natuur, bij mensen noch dieren bespeurd ,
waarvan de beschrijvingen van plaats gehad hebbende aardbevingen
melding maken •
8°. Vóór het jaar
1850, heeft men, in deze streken, nimmer eene dergelijke schudding
waargenomen.
4e. In de gemeente
Bennebroek en omstreken , zijn de meeste wellen, sedert de
droogmaking van het Haarlemmermeer nagenoeg zonder water.
Bovenstaande
opmerkingen te samen vattende , zie ik mij genoopt te vragen:
1°. Waren de plaats
gehad hebbende schuddingen het gevolg eener aardbeving of kan
de droogmaking van het Haarlemmermeer hier van
de oorzaak zijn ?
2°. Kan dit meer met
onderaardsche kanalen in verband staan die, terwijl de waterspiegel
door de aanhoudende stoomkracht steeds afneemt, de vrije strooming
missende, met geweld eenen doortogt zoeken of zich naar elders
verplaatsen? Heeft daardoor eene nederplomng van veenlagen plaats of
wel is het eéne schulpenlaag of zy n het andere aard-lagen , welke
tengevolge van het gemis van water, zich trachten te verplaatsen,
rijzen of dalen en daardoor eene golving in den grond veroorzaken ?
8°. Indien dit
gevoelen wordt aangenomen, In hoeverre is er dan gevaar te duchten
voor ie bewoners dezer streken, met het instortenvan gebouwen én
dergelijke ?
Mogt ik in mijne
zienswijze dwalen, dan zal bet my hoogst aangenaam zijn, door middel
van dit Tijdschrift eenige teregtwijzing te ontvangen.
a. j. l. lempe.
|