
DE VOGELSANCK
X I I I e EEUW
SCHOON zijn de dreven van
Vogelsanck. Op klaroengeschal
en onder vrolijk jachtrumoer
zetten fiere ridders hun paarden
in galop. Hoefgetrappel vermengt
zich tussen 't opwolkend stof
met de aanvurende kreten der
ruiters en het wapengekletter.
Opgeschrikt wild zoekt in
overhaaste vlucht een veilige dekking in
de rust van het Vogelsanckse woud,
maar de jachtdnft heeft de
kleurige stoet bevangen en in
wilde galop zet men zich op het spoor, 't Is goed
jagen in Kennemerlanden Floris,
Holland's Graaf, der Keerlen god, weet zijn ridderen
en jonkvrouwen uit nabije en verre
gouwen wel te hovéren!
Daar verrijst temidden van welig
bos en malse landouwen 't Huys te Vogelsanck,
dat als lust- en jachtslot 't
uitgangspunt voor menig bontverwige stoet van edelen
wordt. En menigmaal stromen
poorters en landsknechten op 's Gravenmade tezamen
als de lansen worden geveld en de
edelen zich in de sportieve strijd van het
ridderlijke steekspel werpen. En
uitbundig is de vreugde van dit luisterrijk festijn.
XVIIe
EEUW
De eeuwen trekken voorbij. De
strijd van kracht en behendigheid met lans en
zwaard wordt beslecht door het
losbranden der donderbussen. De ridderschap
heeft haar glans verloren en 's
Graven jachtslot is tot stof uiteengevallen stelling. Maar
schoon is het nog in 't
Vogelsanckse bos. Een nieuw heer komt naar Vogelenzang,
ook hij wordt bekoord door de
landelijkheid van deze duinzoom en nog vóór de
gouden eeuw ten einde spoedt is
een ander en forser huis De Vogelsang verrezen.
XXe
EEUW
Weer trekken eeuwen voorbij. Diep
in de grond leeft de herinnering aant oude
ridderspel nog voort en het is
alsof de bomen van het historische bos die
geest nog ademen, hoewel de rook
der moderne steden al hoog in haar wolken
hangt en het mechanische verkeer
aan haar zoom voorbijsnelt En riet
na zeven eeuwen spreidt een nieuw
heir van moderne ridderschap haar
tenten op het oude Vogelsanck,
waar de romantiek der Middeleeuwen m
een nieuw gewaad herleeft. En weer
klinkt hoorngeschal en wapperen de
banieren en uitbundig is de
vreugde van hen, die van heinde en ver naar
hier toestromen om, verbonden door
eenzelfde Wet en door eenzelfde
Code hun vreugde voor het leven en
hun broederschap in bij, jolijt te uiten
En schoon is het in Vogelsang. Uit
Jamboree Logboek 1937 Ton Koot